Pindakaas

Over wat pindakaas te maken heeft met Schopenhauer

Een vriend van mij heeft een vriendin van het verstikkende soort, die hij bedriegt met een minnares van het fragiele soort. Soms belooft hij zijn minnares dat er misschien iets meer in zit, af en toe, waardoor ze hem sms-berichten blijft sturen over voloptueuze zonsondergangen en pijpbeurten die hem zullen doen duizelen. Ondertussen voert hij lange, broeierige telefoongesprekken met een meisje van het ruimdenkende, maar uiteindelijk toch erg jaloerse soort, dat alles nu nog volkomen begrijpt en hem met liefde afhelpt van al zijn onzekerheden. De vriend heeft moeite met alleen zijn.

Het lijkt mij een hoop gedoe om al die balletjes in de lucht te houden. En daarbij: alleen zijn is fantastisch. Zoals nu bijvoorbeeld, in het licht van de maan om drie uur ’s nachts, met de balkondeuren open zodat er een koel briesje de kamer binnenwaait. Ik zit aan de eettafel met een pot pindakaas. Het is een nieuwe pot, waarvan de inhoud nog glad en spannend onder het deksel schuilt. Ik schuif hem heen en weer, lees het etiket. Pinda’s en olie, en een beetje zout. Meer is het niet. Pindakaas is goudeerlijk. Het etiket is rood met geel, net als dat van Maggi en Marmite. Pindakaas is door de jaren heen stabiel gebleken.

Ik draai het deksel van de pot. Ik maak mijn vinger nat en glibber ermee over het onaangetaste oppervlak. Er vormt zich een spoor van speeksel en de pindageur wordt sterker. Mijn vinger wordt vettig. Ik duw hem ongeveer twee centimeter in de pindakaas. Dan haal ik hem er weer uit, maar langzaam. Precies in het midden van de pot zit nu een kleine kuil met opstaande randjes. Ik stop mijn vinger in mijn mond en daarna weer in de kuil. Ik maak hem groter en dieper. 

Het deel van de pindakaas dat zich het dichtst bij mijn werkgebied bevindt, wordt warm. Door de lopende olie glijdt alles van mijn glad geworden vinger. Ik blaas in de kuil. Ik steek mijn tong erin om het warme, zachte deel op te likken. Omdat de holte diep is, moet ik tot aan mijn neus in de pot. Mijn tongriem protesteert en ik krijg te weinig lucht, maar ik raak inmiddels zeer prettig bedwelmd door de pindakaas en daarom ga ik nog heel even door, totdat ik me kokhalzend terug moet trekken.

De pot is niet langer onaangetast, maar daardoor des te uitnodigender. De pindakaas zit nu ook aan de buitenkant van het glas en natuurlijk op mij, op mijn handen en mijn gezicht. Ik trek mijn t-shirt uit en probeer of mijn linkerborst in de pot past. Alleen mijn tepel raakt de pindakaas. Tot mijn vreugde voel ik een paar stukjes noot. Ze trommelen tegen mijn huid als ik de pot op mijn borst schroef. Ik draai steeds sneller en begin zelf ook te draaien, traag als een betonmolen. Er zijn oneindig veel stukjes noot. Als ik de pot uiteindelijk met een plopje weer lostrek, heb ik een tepel om te zoenen. Hij ziet er stralend uit. Ik vind het ontroerend.

Ik ga op het balkon staan om naar de maan te kijken. Die krijgt het gezicht van de altijd zoekende vriend. Wie geen plezier vindt in eenzaamheid, zal ook niet van de vrijheid houden, zeg ik tegen hem, terwijl mijn tranen worden afgestoten door de olie op mijn wangen.

Margot

Slaap je, Margot, waarom gaap je, waarom lig je met je gezicht naar beneden in de kussens van de bank?

Je rug spreekt boekdelen, het lijkt alsof er een heel grote neger uit opstaat die zijn hoofd tegen de muur ramt, hard en vaak. En jij murmelt iets over kerstomaatjes en kanten onderbroekjes, terwijl de neger zijn vingers in zijn open schedel doopt en met rode vegen het woord ‘beton’ op de muur schrijft, waar hij met een laatste verpletterende kopstoot een punt achter zet. Hé Margot, waarom loopt er een dode neger over je rug?

Waarom sprak je net nog over de bijzondere kracht van paardenmelk? Waarom bond je je haren bijeen op je kruin terwijl je nu briesend zachte bloemetjesstof bewerkt met je vuisten? Hoe laat is het eigenlijk bij jou? Loopt de klok wel? Zeg Margot, als jij opstaat ’s ochtends en naar de wc gaat, denk jij dan ook wel eens aan hoe het water tegen je billen zal spatten als er een bom ontploft in het riool? Denk je daar nu aan? Ben je daarom zo wild aan het trappelen met je benen tegen de leuning van de bank? Ben je – zogenaamd natuurlijk – aan het verdrinken?

Of is het die neger die met een gat in zijn kop terug moet in je rug? Probeer je hem misschien met dat gillen en dat hijgen te lijf te gaan om hem af te schrikken, weg te jagen, uit het zicht en in jezelf? Je kunt het hem toch ook gewoon vragen, of luistert hij nooit? Springt hij te pas en te onpas uit je op als jij even moe bent, om zichzelf stuk te maken en harde woorden op de muur te kalken? Gebeurt dat vaak? Of soms? Hoe heet hij eigenlijk?

Margot, moet je luisteren, Margot houd eens even op met schreeuwen, stil, luister, hé Margot, Margot! Je moet je gewoon omdraaien, je gezicht uit het kussen halen, dan krijg je meer lucht, Margot luister nou, je moet je oprichten en omdraaien en je buik in de lucht prikken, even stil zijn, op je vinger bijten en Margot, zeg, even je hoofd erbij, kijk, als je nu even je ogen terug stopt in hun kassen en het beton van de muur haalt, misschien kun je dan samen met de neger een volkstuin beginnen. Is dat geen goed idee?